Levensloop
Wolfgang Amadeus Mozart was de zoon van Leopold Mozart en Anna Maria Pertl (1720-1778) en toonde al zeer vroeg een grote muzikale aanleg. Aanleg die vanaf 1760 door zijn vader Leopold verder ontwikkeld werd.
Zijn eerste composities dateren van 1761. Ze werden vaak door Leopold opgeschreven en gecorrigeerd. Op 1 september 1761 werd Mozart's naam voor het eerst vermeld, als medewerker bij een gymnasiumvoorstelling. Begin 1762 reisde Leopold met Wolfgang en zijn dochter Maria Anna naar München.
In de herfst van 1762 ondernam hij met beide kinderen een reis naar Wenen, waar zij onder andere voor keizerin Maria Theresia optraden. Op 9 juni 1763 begon de langste reis die Mozart gemaakt heeft. Deze reis zou duren tot eind 1766. Leopold bezocht met zijn vrouw en de beide kinderen Duitsland, Frankrijk, Engeland, Noord- en Zuid-Nederland en Zwitserland. Op deze reis werden de kinderen herhaaldelijk ziek, waardoor het verblijf in Nederland langer duurde dan voorzien. De familie Mozart was getuige van de installatie van prins Willem V. Wolfgang componeerde verscheidene werken die aan het hof van prinses Carolina van Nassau-Weilburg werden uitgevoerd. De eerste reizen waren er vooral op gericht om de uitzonderlijke begaafdheid van beide kinderen aan de hoven te demonstreren.
Iets minder dan een jaar verbleef Mozart daarna in Salzburg, waar Leopold verder aan zijn muzikale ontwikkeling werkte. Een tweede reis naar Wenen duurde van 11 september 1767 tot 5 januari 1769. Tijdens deze reis vluchtten de Mozarts voor de pokkenepidemie naar Olmütz, maar de kinderen werden niettemin aangetast. Na zijn terugkeer werd hij, op 27 oktober 1769, benoemd tot concertmeester aan het Hof van Graaf von Schrattenbach, aartsbisschop van Salzburg. Deze functie blijft onbezoldigd, maar hij krijgt wel 120 dukaten voor een reis naar Italië samen met zijn vader.
Voor de voltooiing van de muzikale vorming van zijn zoon achtte Leopold een bezoek aan Italië onontbeerlijk. Op 13 december 1769 ondernam hij met zijn zoon de eerste Italiaanse reis, die tot 28 maart 1771 duurde. Tijdens zijn verblijf in Italië studeerde Wolfgang bij de theoreticus Padre Martini, werd benoemd tot lid van de Accademica Filarmonica van Bologna, ontving de pauselijke onderscheiding Ridder van de Gouden Spoor en kreeg opdracht voor het carnaval van 1770/1771 een opera seria te componeren. Nog vóór zijn terugkeer ontving hij drie andere opdrachten.
Op 16 december 1771 stierf aartsbisschop Sigismund von Schrattenbach. Hij werd opgevolgd door Hieronymus von Colloredo. In juli van dat jaar werd Mozart definitief benoemd tot bezoldigd concertmeester. Hij krijgt een jaarsalaris van 150 gulden, maar moet nu steeds ter beschikking van het orkest staan. In de nazomer van 1773 reisde hij voor de derde maal naar Wenen; dit verblijf was vooral belangrijk wegens de nadere kennismaking met het oevre van Joseph Haydn. Een opdracht voor het carnaval van 1775 riep hem eind 1774 terug naar München.
In Mannheim leerde hij één van de beste en grootste orkesten van Europe kennen. Hier werd de grondslag gelegd voor Mozarts latere instrumentatiekunst. Het is ook hier dat hij voor het eerst een ontmoeting had met de jonge en uitermate begaafde zangeres Aloysia Weber. Zijn was zijn eerste grote liefde. Haar zuster Konstanze werd later zijn vrouw. Mozart werd op deze reis vergezeld door zijn moeder, die echter op 3 juli 1778 in Parijs overleed. Ondanks de grote waardering die de musici in Mannheim voor hem hadden, lukte het hem ook ditmaal niet een positie te verwerven. Ontgoocheld keerde hij medio januari 1779 terug naar Salzburg. Vóór zijn vertrek naar Mannheim had hij er ontslag genomen als concertmeester. Thans zag hij zich genoodzaakt de betrekking van hoforganist te aanvaarden. Een nieuwe opera-opdracht uit München noopte hem op 5 november 1780 Salzburg opnieuw te veralten. Van München uit reisde hij naar Wenen, waar de aartsbisschop van Salzburg al vertoefde. Hier kwam het tot een definitieve breuk en Mozart besloot in Wenen te blijven. Mede hierdoor ontstond een verwijdering tussen hem en zijn vader. Zijn vader verzette zich aanvankelijk ook tegen het huwelijk van zijn zoon met Konstanze Weber. Zonder echter rekening te houden met zijn vader's bezwaar huwde hij haar op 4 augustus 1782. Later verzoende zijn vader zich opnieuw met Wolfgang. Mozart, die zich volledig bewust was van zijn talent had zich in Wenen gevestigd als 'vrij kunstenaar'; dit is: niet aan kerkelijk noch wereldlijk hof gebonden. Bij het overgrote deel van het publiek wekt Mozart meer bevreemding dan bewondering op, en bij de meeste van zijn collega's alleen maar onbegrip en naijver.
In 1791 was hij tot plaatsvervangend, onbezoldigd kapelmeester van de St. Stephan in Wenen benoemd. In de zomer ontving hij van graaf Walsegg zu Stuppach de opdracht een Requiem (KV 626) te componeren. Dat requiem zal hij echter niet meer kunnen voltooien. Op 5 december 1791, net voor de voltooiing van het Requiem begeeft zijn gestel het. Zijn leerling Carl Süssmayer werkt de partituur af. Door het slechte weer en de ziekte van Konstanze was er niemand op de begrafenis aanwezig. Zijn lichaam werd in een anoniem massagraf geworpen, zodat het nageslacht hem niet eens postuum de eer kan gaan bewijzen. Zijn overlijden werd opgetekend in het dodenregister van de parochie St. Stephan op 6 december 1971.
Uit Mozarts huwelijk met Konstanze Weber werden zes kinderen geboren, van wie er vier binnen het eerste levensjaar stierven. In leven bleven: Carl Thomas (1784-1858), die ambtenaar werd, en Frans Xaver Wolfgang (1791-1844), die als pianist, componist en koordirigent bekendheid genoot en zijn composities onder de naam W.A. Mozart Sohn liet verschijnen. Konstanze Weber, geboren in 1762, hertrouwde in 1809 na Mozarts dood met Georg Nikolaus Nissen (1761-1826) en overleed in 1842.
