La Falce (Catalani)
De egogla La Falce bestaat uit slechts zes delen, waarvan het eerste, het Symfonische Proloog voor orkest, ontworpen is als een kort symfonisch gedicht dat de Slag bij Bedr wil beschrijven die heeft plaatsgevonden in Arabië in het tweede jaar van Egira (of Herigaat) tussen de Mohammedanen en de Heidenen (of de afgodendienaars) en die cumuleert in het hymne van de overwinnaars. Op dat ogenblik verschijnt Zohra, personnage dat vooruitloopt op de vrouwenfiguren van Catalani. Deze jonge vrouw, verscheurd door de dood van haar vader en haar broers, aanroept ook voor zichzelf herhaalde malen de bevrijdende dood in een desolate Romanza geschreven met de verterende accenten die reeds karakteristiek zijn voor deze musicus.
In de avondschemering verschijnt haar de man met de zeis (La Falce) waarin zij de engel des doods, de onoverwinnelijke Asrael meent te zien, van wiens kus de dood uitgaat. Seid, de maaier, is echter een gewone sterveling, en bovendien een gewone Arabier, net als zij. De kus die hij haar geeft is bron van leven, niet van dood. In zijn Arabisch lied, van een vage exotische kleur vanwege zijn buitengewone intonnatie, legt Seid Zohra uit dat zijn zeis het vredige werktuig is van de landman, bestemd voor het maaien van de blonde korenhalmen in de oases. Een onschuldig instrument dus dat hij ver van zich gooit. Het meisje hervindt in Seid dus het leven en de liefde. De twee personnages zingen een teder duet en begeven zich op weg door de eindeloze woestijn onder het maanlicht. Het laatste fragment is zeer effectvol: uit de verte nadert een Arabische karavaan met marseffecten en korale tussenkomst die zich dan langzaam verwijderen in de nacht terwijl de twee geliefden de tegenovergestelde richting uitgaan, hun liefdeslot tegemoet.
Bron: programmaboekje vzw Lyrica 2004
