Attila (Verdi)
Proloog
In de geruïneerde stad Aquileia zijn Atilla en zijn wrede troepen verrast een groep vrouwen te zien die als krijgsgevangenen gespaard zijn gebleven. Hun leidster, Odabella, vraagt waarom de vrouwen van de Hunnen thuis zijn gebleven (aria: "Allor che i forti corrono"). Attila, onder de indruk van haar moed, biedt haar een gunst aan, waarop zij een zwaard vraagt om de dood van haar vader te wreken, die door de hand van Attila zelf gesneuveld is (aria: "Da te questo or m'è concesso"). De romeinse afgezant Ezio vraagt audiëntie en stelt een tweedeling van het rijk voor: "het universum voor U en Italië voor mij "; Attila wijst hem af als een verrader van zijn eigen land. Langzaam verandert het toneel in een moeras, het toekomstige beeld van Venetië. Een boot met Foresto en andere overlevenden arriveert; hij denkt aan de gevangengenomen Odabella (aria "Ella in poter del barbaro"), maar komt dan tot zichzelf en begint met de anderen een stad te bouwen (aria "Cara patria già madre e reina").
Eerste bedrijf
Atilla's kamp
Odabella beklaagt zich over het verlies van haar vader en Foresto (aria "Oh! Nel fuggente nuvolo"), want ze gelooft dat ze beiden zijn gestorven. Als Foresto plotseling verschijnt is ze op haar hoede, en ze ontkent elke ontrouw en herinnert hem aan Judith. Attila ontwaakt in zijn tenten vertelt Uldino van zijn droom, waarin een oude man hem bij de poorten van Rome aanhoudt, en hem waarschuwt terug te keren (aria "Mentre gonfiarsi l'anima parea"). Met de komst van het daglicht keert ook zijn moed terug en hij geeft zijn marsorders (aria "Oltre quel limite, t'attendo, o spettro"). Als er echter een stoet nadert herkent hij de Roomse bisschop Leo en hij stort in.
Tweede bedrijf
Ezio's kamp
Ezio is teruggeroepen nadat de vrede is gesloten. In de aria "Dagl'immortali vertici" vergelijkt hij Rome’s vergane glorie met het kind en keizer Valentine. Als hij Foresto, incognito, herkent tussen de boodschappers die een uitnodiging brengen voor een banket met Attila, stemt hij er mee in zich bij diens troepen te voegen (aria "E' gettata la mia sorte"). Aan het banket spant Foresto samen om Atilla te laten vergiftigen door Uldino; daartegenover zien we Odabella, jaloers en vervuld van haar eigen wraakgevoelens. Een dankbare en nietsvermoedende Attila verklaart dat zij zijn vrouw zal worden en stelt de ongemaskerde Foresto onder haar hoede.
Derde bedrijf
Het bos
Foresto beklaagt zich over Odabella’s kennelijke verraad (Aria "Che non avrebbe il misero"). Ezio arriveert en openbaart zijn plan om een hinderlaag te leggen voor de Hunnen; dan komt Odabella, die probeert zijn vertrouwen te winnen. Attila ontdekt de drie verraders en ontdekt het bedrog. Odabella steekt hem neer.
